Een
zwaard, zei hij,
een zwaard
zou door mijn hart gaan…
Ach
jongen, acht dagen was je pas
je werd
besneden, ik voel het heden nog
je huilde
de longen uit je lijfje
één kerfje
maar het sneed me door de borst.
Nu lijd je
dorst hier aan dit martelhout
het koude
zweet breekt zich een baan
zwaard dat
door mijn ziel zou gaan…
Al toen je
twaalf was
wij jou
niet konden vinden bij jouw klas
drie dagen
en drie nachten in Jerusalem
de ziel
onder de arm, tot eind’lijk wij jouw warme
jongensstem
vernamen in de tempel
jouw
lastig vragen aan de priesterkaste
’t was in
mijn ogen vloeken in de synagoge
wie was
hier ouder, jij mijn zoon of wij
Zelfs nu
je aan dit martelwerktuig bent gekluisterd
toon jij
je nog bezorgd om mij…
Hoe wist
men eigenlijk
van die
zwaardsteek in mijn ziel
o nee het
viel niet altijd mee
bevallen
ver van huis
die koude
stal waar ik je baarde
toch was
’t of engelen de aarde kusten
toen je rustte
aan mijn volle borst…
Strand van
Tiberias, men vlocht het gras
tot
kussens waarop we aan je voeten zaten
vis aten
en brokken van je zelfgebroken brood
Vorige
week nog op sabbát - zoals je op die ezel zat -
maar ‘k
ving je ogen en die vreemde profetie
ging mij
opnieuw door merg en been.
Je boodschap
heeft geen woord erom gelogen
geen
druppel water bij de wijn
een
martelblok, een stok, een spons azijn
mijn hart
breekt in wel honderd stukken; je gaat dood
zwaard als een zijden draad boven
ons beiden
jij buigt het moede hoofd, niets
buigt het lot nog om.
Mijn God, waarom..? Waartóe..?