vrijdag 10 januari 2020

10 januari 1934



Bezoeker Gertjan Tuenter draagt op het festival HoetchieKoe van 2018 een fragment voor uit het hekeldicht Aan Van der Lubbe van Willem Elsschot⇲ in 1934 geschreven n.a.v. de onthoofding van Marinus van der Lubbe⇲ op 10 januari 1934. Jongen, met je wankel hoofd aan den beul vooruit beloofd, toen je daar je lot verbeidde stond ik wenend aan je zijde. De operette duurde lang: van het wraakhof naar ’t gevang, van ’t gevang weer naar het hof in de boeien van den mof. Veertig haarden dorst je ontsteken, duizend haarden zou men wreken, maar je beulen stonden paf toen je zweeg tot in je graf. Dokters, rechters, procureuren, allen zijn je komen keuren, allen vonden je perfect, en toen heeft men je genekt. ’t Had de Koningin behaagd dat je gratie werd gevraagd, maar voor zulk een viezen jongen wordt meestal niet aangedrongen. Lang heeft men geprakkezeerd wat een mens het meest onteert, hangen, branden, vierendelen of gewoon als varken kelen. Toen heeft men het mes gekozen om je toch eens te doen blozen, want zo’n gala met wat bloed doet een hakenkruizer goed. Jongenlief, zoals je ziet. Leiden krijgt je resten niet Hitler laat zich niets ontrukken want hij houdt van die twee stukken. Holland vraagt nu onverdroten of je niets werd ingespoten, maar die vuige, laffe moord vindt het minder ongehoord. Laat het stikken in zijn centen, in zijn kaas en in zijn krenten, in zijn helden, als daar zijn: Tromp, De Ruyter en Piet Hein. Moog je geest in Leipzig spoken tot die gruwel wordt gewroken, tot je beulen, groot en klein, door den Rus vernietigd zijn.


zie ook hier op 'sMelssleMs'⇲

Geen opmerkingen:

Een reactie posten